Rasomschrijving Labrador Retriever
De Labrador Retriever komt oorspronkelijk niet, zoals zijn naam doet vermoeden,
uit Labrador, maar uit New Foundland.
Doordat deze eilanden vlakbij elkaar liggen, is er een naamsverwisseling ontstaan. |
 |
Er waren in die tijd twee hondensoorten: een grote langharige en een kleinere gladharige.
De Britse kolonisten die in de 17e eeuw op het eiland woonden, namen de honden mee naar Engeland. |
 Daar werd de grote langharige (New Foundlander) gebruikt om lasten te trekken. De kleinere gladharige (Labrador) werd door vissers gebruikt om netten binnen te halen en voor het apporteren van vissen die door de mazen van het net waren gevallen.
De uiterlijke kenmerken van de Labrador zijn mede bepaald door het koude Canadese klimaat. Kijk maar eens naar de dikke otterstaart en de dubbele vacht.
 De plaatselijke Engelse adel in die tijd raakte al snel geïnteresseerd in deze goede gebruikshonden. Zo werden ze al snel geïntroduceerd in Engelse jagerskringen. Men begon deze dieren te fokken en te kruisen met o.a. pointers en setters. Gelukkig werd er ook gefokt met originele geïmporteerde Labradors. Later ging men zelfs kampioenschappen houden. Het was echter niet ondenkbaar dat door het kruisen van Labradors met andere honden niet raszuivere Labradors meededen.
Hier werd in 1903 een eind aan gemaakt doordat men de Engelse Labrador Retriever club oprichtte.
Vervolgens ging het snel en is de Labrador uitgegroeid tot een fijne jachthond en een prettige huisgenoot.

Wanneer je een Labrador pup hebt gekocht dan hoop je op een goede gezonde hond. Een labrador die tien of meer jaren je vriend zal zijn. Je weet nog niet of hij/zij ook aan de rasstandaard gaat voldoen. Hier kun je achter komen door shows te lopen of bij een kynologenclub een keuring te laten doen. Maar het karakter is op een show natuurlijk niet te bepalen. Dat moet je thuis, in het bos, in de stad en waar je maar wilt, bepalen. Hieronder ziet u hoe het karakter van uw Labrador er uit zou moeten zien.
Het gewenste karakterbeeld.
Hoge mate van jachtpassie
Sterke 'will to please'
Liefhebber van water
Moedig
Steadiness
Zelfstandig
Redelijke mate van hardheid
Goed op te leiden
Allemansvriend
Vriendelijk / sociaal karakter
Redelijk temperamentvol

De Bouw:
Hoofd: vrij breed, met uitgesproken stop. Gematigd lange, krachtige kaken, grote neusspiegel.
Ogen: middelgroot, bruin of nootbruin, vriendelijke uitdrukking.
Oren: ver achteraan op de schedel aangezet, niet bijzonder groot en dicht tegen de wang hangend.
Gebit: schaargebit.
Lichaam: brede en diepe borstkas met goed gewelfde ribben, vlakke rug, brede lendenpartij, kort en krachtig.
Ledematen: goed naar achteren liggende, lange schouders, rechte voorbenen met sterke botten. Goed ontwikkelde achterhand. Goede hoeking van knie- en spronggewricht. Evenwijdige benen, lage sprongen.
Voeten: rond, compact, met goed gewelfde tenen en sterke voetzolen.
Staart: kenmerkend voor het ras. Gematigd lang, dik aan de basis, goed behaard, een zgn. Otterstaart. Wordt op een lijn met de rug gedragen en nooit boven de rug.
Vacht: kenmerkend voor het ras. Kort en dicht, niet golvend, vrij hard, met waterafstotende ondervacht.
Hals: krachtig, sterk en droog.
Kleur: uniform zwart, geel of lever-/chocoladekleurig. Geel mag variëren van licht crèmekleurig tot voskleurig. Kleine, witte borstvlek is toegestaan.
Gangwerk: evenwijdig, vrij en met goede stuwkracht, ruim bodem beslaand.
Schofthoogte: reu 56-57 cm, teef 54-56 cm.

|