De SAARLOOSWOLFHOND
Standaard F.C.I. 311.
Als je een Saarlooswolfhond wilt, moet je je eerst afvragen of dit ras wel geschikt voor jou is. Of eigenlijk andersom. Ben jij wel geschikt voor een Saarlooswolfhond? Dat moet je je natuurlijk bij elk ras afvragen, maar in dit geval misschien nog iets meer.
Een Saarlooswolfhond is alles behalve een makkelijke hond om te houden en om hem aan te schaffen alleen omdat hij zo mooi is, is wel de allerslechtste reden. Ga eerst eens kijken bij een eigenaar, dan pas krijg je een goede indruk hoe deze honden zijn.
Bedenk ook dat een Saarlooswolfhond in een mum van tijd je zuinig bij elkaar gespaarde spulletjes kan slopen. In iedere hond schuilt wel een sloper, maar de kracht en - vooral - het uithoudingsvermogen waarmee een volwassen Saarlooswolfhond jouw bankstel kan verwoesten, is werkelijk niet te vergelijken met andere honden. Oppassen dus! Zeker het eerste jaar, als de melktandjes gewisseld worden en de pup opgroeit. Alles in de omgeving wordt dan intensief getest op duurzaamheid. Dit sloopgedrag houdt na de puppytijd vanzelf op, maar dan moet je nog steeds oppassen.
Deze honden kunnen niet lang alleen blijven. Ze willen altijd bij de roedel zijn: dus bij jou! Echt waar, alleen maar bij jou! Nou zal een goed gesocialiseerde Saarlooswolfhond zich echt niet zo snel vergrijpen aan jouw bankstel, maar als een hij een hele of halve dag alleen is, zal hij veel stress ontwikkelen. Weet hij veel of de baas terugkomt? Een Saarlooswolfhond voelt zich zonder zijn roedel echt reddeloos verloren. En die stress moet afgereageerd worden. Jouw spulletjes liggen dan lettterijk het meest voor de hand! Dat kun je de hond niet aanrekenen. Hij zit nou eenmaal zo in elkaar! Als ze als pup rustig en geduldig getraind worden, kunnen Saarlooswolfhonden, net als andere honden, heus wel een paar uurtjes alleen thuis blijven. Maar het is dierenmishandeling om ze een hele dag eenzaam in een kennel op te sluiten. Daar kunnen ze absoluut niet tegen!

Saarlooswolfhonden kunnen ook moeilijk herplaatst worden in geval van nood, want ze zijn veel teveel aan hun baas gehecht. Soms kan het echt niet anders en dan is het altijd een heel gedoe voordat de hond weer aan een ander baasje is gewend. Daar moet je allemaal over nadenken en rekening mee houden voordat je aan een Saarlooswolfhond begint.
En dan nog iets. Aan een Saarlooswolfhond heb je niks! Echt helemaal niks! Het is een zeer onafhankelijke hond en dat is voor veel hondenliefhebbers moeilijk te accepteren. We vinden het heel normaal als een hond gewoon gehoorzaamt als hij iets moet doen. De saarlooswolfshond zit anders in elkaar. Hij is nooit slaafs, de will-to-please die voor sommige rassen zo kenmerkend is, ontbreekt volledig bij de Saarlooswolfhond. Hij vertrouwt altijd en uitsluitend op eigen waarneming en wil zelf de situatie inschatten. Daar doet een echte Saarlooswolfhond geen enkele concessie aan.
Als waakhond is hij ook al waardeloos. Bij ongewenst bezoek neemt hij liever de benen! De baas mag het verder zelf opknappen. Die is immers de alfa! Spelen wil hij wel, maar spelen met een volwassen Saarlooswolfhond betekent dat je al snel onder de striemen, schrammen en blauwe plekken zit! Vinden niet veel mensen leuk. Een balletje wordt hooguit 2 keer opgehaald, dan is de lol er wel af. Voor de hond dan. Vind ie gewoon te saai. Bekend bezoek wordt weer zó enthousiast begroet, dat het vaak pijnlijk is. Lomp is een beter woord.
- Nee hoor, we hoeven de deur voor onze Saarloosjes nooit open te doen. Dicht wel ja, dat dan weer wel
- Vraag je dus in alle eerlijkheid af of dit een hond voor jou is en of je in staat bent om een wolfhond op te voeden en te houden. Het zijn echte handenbinders, te vergelijken met kleine kinderen.
Is het dan alleen maar kommer en kwel met deze honden?
Nee hoor, gelukkig niet! Eén ding krijg je van een Saarlooswolfhond in grote hoeveelheden en niet te vergelijken met andere rassen: onvoorstelbare, haast niet te bevatten aanhankelijkheid. En dat zonder ook maar een spoortje slaafsheid of onderdanigheid. Die combinatie van onafhankelijkheid, eigenzinnigheid en aanhankelijkheid maakt een Saarlooswolfhond voor de ware liefhebber zo onweerstaanbaar. Het is een ras om helemaal verslaafd aan te raken en alle eigenaren die wij kennen zijn zonder uitzondering totaal verknocht aan hun honden. Maar liefhebbers van andere rassen zullen hetzelfde van hun hond zeggen en daar hebben zij dan weer volkomen gelijk in.
DE GESCHIEDENIS VAN DE SAARLOOSWOLFHOND
Leendert Saarloos (1884-1969)

Leendert Saarloos, geboren en getogen in Dordrecht, was een voormalig scheepskok en electriciën. Hij hield van de natuur en van honden en hij zou de schepper worden van een uniek Nederlands hondenras. Saarloos sprak soms smalend over kwekers van sierhondjes als hij fokkers van gewone huishonden bedoelde. Hij was een groot liefhebber van de Duitse Herdershond, maar hij vond dat ook dit ras te veel van zijn natuurlijke eigenschappen verloren had. Leendert Saarloos stelde zich daarom ten doel om in de Duitse Herder weer de natuurlijke eigenschappen terug te fokken. Hij kocht een Duitse Herderreu, Gerard van de Fransenum, van het klassiek Pruisische type. Gerard was een afstammeling van honden die tijdens de eerste wereldoorlog in het Duitse leger gediend hadden voor het Rode Kruis. Rond 1925 begon Saarloos met zijn experimentele fokkerij. Hij paarde de reu Gerard aan een Europese wolvin die hij Fleur noemde en die hij uit de Rotterdamse diergaarde Blijdorp had verkregen. Hij wilde zo een ras creëren zonder degeneratiefouten. Het was de bedoeling de werklust van de Duitse Herder te combineren met het uithoudingsvermogen en de kracht van de wolf. Saarloos noemde zijn kennel van de Kilstroom. De naam was afgeleid van het riviertje de Dordtse Kil.
Door terugparingen op stamvader Gerard verkreeg Saarloos een basispopulatie kwartwolven. Zijn hond-wolf kruisingen gaf hij de naam Europese Wolfhond. Saarloos paste een strenge selectie toe, maar voor politie- en africhtingstaken bleken de nakomelingen van Gerard en Fleur niet erg geschikt. De voor dit werk noodzakelijke aanvalsdrift was bij de meeste nakomelingen afwezig. De vluchtdrift van de wolf was erfelijk dominant over de aanvalsdrift van de Duitse Herder. Rond het einde van de jaren 50, begin jaren 60, bleken sommige exemplaren wel enige geschiktheid te hebben om te dienen als speur- en reddingshond. De Europese wolfhond werd regelmatig ingezet bij de Bescherming Bevolking in Dordrecht. Enkele honden dienden zelfs bij de politie van Dordrecht bij de recherche. Door hun voorzichtige aard waren anderen bruikbaar als blindengeleidehond. Onder auspiciën van de door Leendert Saarloos opgerichte blindengeleidehondenschool werden ongeveer 10 honden per jaar getraind en gratis aan blinden beschikbaar gesteld. De schuwheid, die voor de hedendaagse Saarlooswolfhond zo kenmerkend is, was toen veel minder aanwezig. De invloed van stamvader Gerard was nog duidelijk merkbaar. Bovendien fokte Leendert Saarloos uitsluitend op karakter, op het uiterlijk van zijn honden lette hij niet, dat was voor hem van ondergeschikt belang.
Na lang en veel aandringen van vrienden, die meer aandacht hadden voor het uiterlijk van zijn honden en het experiment wilden aangaan om een 3/4 wolf als huishond te houden, heeft Leendert Saarloos zich tenslotte laten overhalen. In 1963 kruiste hij weer een wolvin in, die eveneens afkomstig was uit Diergaarde Blijdorp; zij werd weer Fleur genoemd. Deze wolvin paarde Saarloos aan de Europese Wolfhond Yro van de Kilstroom. De nakomelingen kwamen weer in zijn kennel terug als zijnde ongeschikt om in de huiselijke kring te worden opgenomen! Een van de nakomelingen, Valpar van de Kilstroom, had Leendert Saarloos zelf in zijn kennel gehouden. Deze wolfhond werd later ingezet om het ras meer homogeniteit te geven. Door de grotere invloed van de wolf werd de schuwheid van de nakomelingen ook weer groter. Uiteindelijk verloor het ras de geschiktheid als werkhond. Ook door het steeds drukker worden van het verkeer verdween de Saarlooswolfhond ten slotte als blindengeleidehond uit het straatbeeld. De schuwheid van de Saarlooswolfhond is nu in de nieuwe rasstandaard opgenomen. Een vrije, dat wil zeggen niet schuwe, Saarlooswolfhond wordt tegenwoordig als niet rastypisch beschouwd. De rasstandaard spreekt van een gereserveerd karakter, maar schuw is een woord dat het karakter van de huidige Saarlooswolfhond veel beter typeert. Een karaktertrek die Leendert Saarloos zeker niet zou hebben goedgekeurd voor zijn ras. Overigens vertoont de SWH deze schuwheid alleen in onbekende situaties en bij onbekende personen. Dit moet niet verward worden met angstig gedrag. Deze hond is nou eenmaal overal en altijd uitermate op zijn hoede en gaat daarbij uitsluitend af op eigen waarneming en instinct. Onbetrouwbaar of agressief is de Saarlooswolfhond nooit! Voor bekenden is hij heel vriendelijk en voor het baasje en de gezinsleden ongelooflijk aanhankelijk.
Saarloos heeft lang gestreden bij de Raad van Beheer, de overkoepelende organisatie in Nederland op kynologisch gebied, om zijn ras officieel erkend te krijgen. Maar de tegenlobby, aangevoerd door fokkers van Duitse Herders die in zijn fokkerij een bedreiging zagen voor de goede naam van de Duitse Herder, was te sterk. Bovendien wilde Saarloos dat alle honden op zijn naam werden geregistreerd en dat was tegen de regels. De erkenning van het ras kwam pas op 5 juli 1975. Saarloos heeft dat niet meer mee mogen maken. Hij overleed 6 jaar eerder in 1969. Bij de erkenning veranderde de Raad van Beheer de naam Europese Wolfhond in Saarlooswolfhond. Zo kreeg Leendert Saarloos posthuum toch nog volkomen terecht zijn eerbetoon. En daarom zal dit schitterende ras voor altijd, ter nagedachtenis aan zijn schepper, deze naam dragen.
Rasomschrijving

Naam: Saarlooswolfhond, SWH.
Land van oorsprong: Nederland
Vaststelling laatste rasstandaard: 20 oktober 1993
FCI-indeling: Groep 1 - herdershonden, geen gebruikshond
Verschijning
De SWH is een krachtig gebouwde hond. Zijn uiterlijk, lichaamsbouw, gangwerk en beharing doen denken aan die van de wolf.
Hij is harmonieus gebouwd en heeft lange benen - zonder de indruk te wekken van hoogbenigheid. Reuen en teven moeten in allure duidelijk hun sexe doen blijken.
Karakter
 Hij is een zeer levendige hond overstromend van energie, die een trots en onafhankelijk karakter heeft. Hij gehoorzaamt uit eigen vrije wil en is niet slaafs. Hij is zeer aanhankelijk aan zijn baas en hoogst betrouwbaar. Tegenover vreemden stelt hij zich gereserveerd, enigszins wantrouwend, op.
Deze gereserveerdheid en zijn vluchtdrift voor hem onbekende situaties zijn kenmerkend voor de SWH en dienen behouden te blijven als rastypische eigenschappen.
De benadering van de SWH door vreemden vraagt enige kennis van en inzicht in het gedrag van deze hond, die gereserveerdheid en vluchtdrift als eigenschappen in zich draagt. Een geforceerde, door de SWH niet gewenste benadering door een vreemde, kan er toe leiden, dat de vluchtdrift gaat overheersen.
En een belemmering van deze eigenschap door bij voorbeeld de beperkte bewegingsvrijheid van de aangelijnde hond kan aanleiding zijn voor een angstig lijkend gedrag.
Gebruik
De SWH, niet gefokt voor een specifiek gebruik, heeft die eigenschappen in zich die hem doen gedragen als een trouwe en betrouwbare gezelfschapshond of huishond.
Hoofd
 Het hoofd moet een wolfachtige indruk maken en in grootte harmoniëren met het lichaam.
Van boven en van opzij gezien moet het hoofd wigvormig zijn. De schedel toont vlak en breed, maar ten opzichte van de breedte moet gewaakt worden voor overdrijving, omdat dit de typische wigvorm verstoort.
De achterhoofdsknobbel mag niet opvallen. De overgang van de krachtige snuit (neusrug) naar de schedel toont een lichte stop.
De brug van de neus is recht en gaat over in een goed gepigmenteerde neusspiegel.
De boven- en onderkaak zijn sterk en bevatten een wit, krachtig ontwikkeld en compleet gebit, dat scharend tot zeer krap scharend is.
De lippen sluiten goed aan. De bovenkaak en de schedel verhouden zich in hun lengtes een op een, waarbij de bovenkaak zich beslist niet grof mag tonen vergeleken met de schedel: een te grove voorsnuit ontsiert de typisch wolfachtige wigvorm. De onderkaak mag niet opvallend zijn.
Zeer kenmerkend is de belijning van de voorsnuit naar een goed ontwikkeld jukbeenboog. Samen met de juiste vorm en plaatsing van het oog in de schedel draagt deze ten zeerste bij aan de wolfachtige verschijning. De oogkas mag niet uitgesproken zijn en de wenkbrauw dient in een vloeiende lijn over te gaan in de schedel.
Ogen
De ogen zijn bij voorkeur geel van kleur en amandelvormig. De ogen zijn enigszins schuin geplaatst, niet puilend of rond, gevat in goed aansluitende oogleden. De uitdrukking van de ogen is oplettend, wel gereserveerd, doch zonder angst. Het oog is een zeer rastypisch kenmerk, dat de gewenste wolfachtige verschijningsvorm benadrukt.
De goede expressie wordt daarom alleen verkregen door de aanwezigheid van een licht oog. Er dient veel waarde te worden gehecht aan kleur, vorm en juiste plaatsing in de schedel.
De oogkleur is geel, maar bij het ouder wordende dier mag deze zich donkerder kleuren. Echter de oorspronkelijke aanleg voor geel dient herkenbaar te blijven. Een in aanleg bruine oogkleur is minder gewenst.
De oogkas gaat in een vloeiende lijn in de schedel over: een te geprononceerde oogkas, geaccentueerd door de wenkbrauw samen met teveel stop, is ongewenst.
Oren
De oren zijn middelgroot en vlezig. Het oor is driehoekig van vorm, heeft een afgeronde top en is van binnen behaard. De basis (ooraanzet) ligt op ooghoogte. De oren zijn zeer beweeglijk en geven uitdrukking aan stemmingen en emoties van de hond.
Storend en ongewenst zijn te spitse en te hoog aangezette oren.
Te wijd uitstaande oren ontsieren het hoofd in zijn typische verschijningsvorm, zijn derhalve minder gewenst.
Hals
De hals toont droog en is goed bespierd. De hals gaat in een zeer vloeiende lijn over in de romp. De hals kan vooral in de wintervacht gesierd worden met een fraaie kraag. De lijn van keel naar borst heeft een vloeiend verloop. De keelhuid is minimaal en niet opvallend. Het is kenmerkend voor de SWH hoofd en hals in ontspannen draf bijna horizontaal te dragen.
Romp
De SWH is langer dan hoog. De rug is recht en sterk. De ribben zijn normaal gewelfd. De vloeiende borstbelijning reikt tot maximaal de elleboog. Borst en ruimte tussen de voorbenen tonen matig breed in vooraanzicht. De buiklijn is strak met een licht opgetrokken lijn. Er moet gewaakt worden voor te veel massa van de borst, want dit verstoort de typische belijning, welke deze gestadige draver kenmerkt. Het silhouet is eerder rank en zeer wolfachtig.
Staart en staartaanzet
De staart is breed aangezet en welig behaard. De staart reikt minimaal tot aan de sprong. De staart lijkt wat lager aangezet, veelal geaccentueerd door een lichte dip bij de aanzet. De staart wordt (licht) sabelvormig tot bijna recht gedragen. In actie of draf mag de staart hoger gedragen worden.
Voorhand
Het schouderblad is voldoende lang en breed ontwikkeld. Het ligt onder een hoek van ongeveer dertig graden ten opzichte van de verticale loodlijn een normale, doch niet overdreven hoekig. De opperarm is in lengte evenredig aan die van het schouderblad en vormt met het schouderblad een normale, doch niet overdreven hoekig. De voorbenen zijn recht en goed bespierd: de botstructuur ervan is ovaal van vorm en is niet grof: de benen tonen in verhouding tot het lichaam eerder een zekere rankheid.
De ellebogen sluiten goed - niet geknepen - aan. Als gevolg van de ribwelving en van de juiste ligging van schouderblad-opperarm toont de ruimte tussen de voorbenen zich als matig wijd. De voeten (type hazenvoet), goed bespierd en gekromd en voorzien van stevig ontwikkelde voetzolen, zorgen samen met de sterke pols en met de matig schuin geplaatste middenvoet voor een goede schokopvang.
In stand is een licht buitenwaartse plaatsing toegestaan.
Achterhand
De bekkenhelling is normaal. Deze lijkt door de lage staart aanzet - dikwijls geaccentueerd door een dip vaak meer hellend. De hoeking van de achterhand is in harmonie met die van de voorhand. Het dijbeen heeft een normale lengte en breedte en is sterk bespierd. De knie- en hakhoekingen mogen niet overdreven zijn. De sprong is benig en bespierd en kan optimaal gestrekt worden. De middenvoet is voldoende lang (niet kort), staat matig schuin en loopt over in een goed gekromde en ontwikkelde voet. In stand is een lichte koehakkigheid toegestaan. Het rastypische, lichtvoetige gangwerk is zeer afhankelijk van de juiste knie- en hakhoekingen. Bij de geringste afwijking hieraan verdwijnt deze wijze van voortbewegen.
Gangwerk
De SWH is een typisch gestadige draver, die in zijn eigen tempo gemakkelijk grotere afstanden kan overbruggen. Zijn natuurlijke gangen vermoeien hem nauwelijks en doen denken aan die van de wolf.
De SWH onderscheidt zich ten zeerste door zijn zeer specifieke, lichtvoetige gangwerk. Een juiste wijze van voortbewegen hangt zeer nauw samen met details in de lichaamsbouw: met name zijn de juiste hoekingen, die de verschillende ledematen met elkaar vormen, van grote invloed. Tijdens de vrije, ongedwongen draf draagt de SWH hoofd en hals bijna horizontaal - in deze houding zijn dan oogplaatsing en wigvorm van het hoofd zo kenmerkend! In draf is het typisch lichtvoetige voortbewegen stevig en veerkrachtig - vooral op een natuurlijke ondergrond is de soepele, veerkrachtige polsbeweging kenmerkend. Bij het gestadige draven, de raseigen gang, is er geen overmatig uitgrijpen, daar dit - evenals te veel stuwing - het typisch lichtvoetige gangwerk, een voorbeeld van een energie besparende gang, verstoort.

Vacht
De zomervacht is heel anders dan de wintervacht. In de winter overheerst veelal de wollen ondervacht, die samen net de stokharige bovenvacht, de deklaag, een rijke pels over het gehele lichaam vormt en daarbij rond de hals een duidelijke kraag kan tonen. Het is noodzakelijk, dat en de buik en de binnenkant van de dijen en het scrotum met haar bedekt zijn. De haren van de totale onderkant van het lichaam en van de binnenzijde van de extremiteiten en aan de achterzijde van de broek zijn licht van kleur. Zowel de wolfsgrauwe als de bosbruine SWH's tonen donkerder op de buitenkant van de extremiteiten. Ook dienen zij een expressief masker te dragen.
Bij de zomervacht is de stokharige bovenvacht over het gehele lichaam belangrijker. Temperatuurswisselingen in het najaar en in de winter kunnen van zeer grote invloed zijn op de wollen ondervacht. Wel dient in alle gevallen de wollen ondervacht in aanleg aanwezig te zijn.
Vachtkleuren
De kleuren van de vacht zijn van licht tot donker geschakeerd zwart-wildkleurig, het zo genaamde wolfsgrauw, van licht tot donker geschakeerd bruin-wildkleurig, het zo genaamde bosbruin, van licht crème-wit tot wit.
Het pigment van neus, oogranden, lippen en teennagels behoort te zijn:
zwart bij de wolfsgrauwe en witte SWH,
leverkleurig bij de bosbruine en crème-witte SWH.
Hoogte
De schofthoogte van de SWH varieert
bij de reuen van 65 tot 75 cm,
bij de teven van 60 tot 70 cm.
Geringe afwijkingen naar boven zijn toegestaan.

Met andere honden gaat de Saarlooswolfhond heel goed om. Lichaamstaal is voor hem zeer belangrijk. Hij is als geen ander in staat om andere honden de juiste lichaamstaal te tonen. Hij kan dan ook heel goed samenleven met andere honden in het gezin. Een kenmerk van de meeste Saarlooswolfhonden is dat ze niet veel blaffen, net als wolven. Bij onraad produceren ze een soort onderdrukt "hoestend" geluid. Dit gedrag is heel makkelijk te begrijpen. Als er in de natuur onraad dreigt, is het niet zo slim met veel kabaal te laten weten waar je zit. Onze honden woefen zacht als er iemand aan de poort staat en ze ons daarop opmerkzaam willen maken. We hebben een bel aan de poort, maar die is eigenlijk niet nodig. Er ontgaat ze niets. Als wij met de honden buiten zijn in de tuin, gaat het anders. Onze reu woefte in het begin nog, maar nu we hier alweer een paar jaar wonen, kent hij de situatie goed genoeg, voelt zich zeker in zijn eigen gebied en begint dan ook meteen te blaffen als er onbekend bezoek komt. De Saarlooswolfhond komt voor in twee kleurvariëteiten die wolfsgrauw en bosbruin worden genoemd. Er komt af en toe een witte variëteit voor, maar deze wordt doelbewust van de fok uitgesloten. Het is desondanks bijna onmogelijk om deze kleurvariant uit de populatie te fokken. Het gen voor de witte vacht is een recessief gen. Pas als twee dragers van dit gen aan elkaar gepaard worden, komt de witte vachtkleur tevoorschijn. Aan de buitenkant is niet te zien welke hond drager van dit gen is. Het is dus steeds een verrassing als er weer eens een witte Saarlooswolfhond wordt geboren.
Saarlooswolfhondteven zijn vaak maar één keer per jaar loops, net als wolvinnen. De loopsheid kan soms vrij lang duren. maar ook hier zijn er weer uitzonderingen op de regel. Ons teefje Shala is twee keer per jaar loops, net als "gewone" honden en haar loopsheid duurt precies 23 dagen. Daar kun je de klok op gelijk zetten. Individuele gedragskenmerken en het uiterlijk van Saarlooswolfhonden kunnen nogal uiteen kunnen lopen, maar allemaal zijn ze sterk op hun roedelgenoten gericht. Sommige eigenaren vinden dat teven meer gericht zijn op de eigen roedel dan reuen. In ons geval is dat niet zo. We hebben een reu en een teef. De reu is veel meer op ons gericht dan de teef. Soms op het idiote af en het kan wat ons betreft dan heus wel een tandje minder.
Groet Johan
Hondentips Magazine dankt Johan Berends voor deze rasomschrijving en foto's van de Saarlooswolfhond.
|